There’s no such thing as a free energietransitie

In het Financiële Dagblad van 6 augustus slaan drie grote netwerkbedrijven alarm: Na 2030 staan ze voor investeringen die met de huidige tariefstructuur niet op te hoesten zijn. Verstandig genoeg beginnen ze nu al een discussie over de transporttarieven; ze weten dat het in de politiek soms lang kan duren voordat onvermijdelijke conclusies hardop getrokken worden.

Energietransitie kost geld, maar we kunnen het betalen
In de hele discussie over de kosten van de energietransitie staat een olifant in de kamer en om het animo niet teveel te temperen wordt deze te vaak genegeerd: de energietransitie kost de huishoudens geld. Het goede nieuws is dat die extra kosten ruim vallen binnen de verwachte groei van de welvaart. Met andere woorden, mochten we de vraag hebben ‘wat zullen we eens doen met het extra geld dat we gaan verdienen?’, is het antwoord: we gebruiken een deel om kolen te vervangen door wind en zon en het gasnet in te ruilen voor een verzwaard elektriciteitsnetwerk.

Het is goed om daar duidelijk over te zijn. Alleen al voor het netwerk gaat het om tientallen miljarden, dus duizenden euro’s per woning. Dat komt bovenop de investeringen die nodig zijn om bestaande woningen geschikt te maken voor de nieuwe infrastructuur. Daarbij gaat het al snel over tienduizenden euro’s. Toch klinkt dat allemaal ernstiger dan het is; zelfs een halve ton voor een huis is, tegen een lage rente gefinancierd, op te hoesten binnen het bedrag van de huidige gemiddelde energierekening.

Overheid moet de betaalbaarheid van de transitie voor iedereen waarborgen
Die energierekening bestaat voor een groot deel uit belasting en netwerkkosten. De kale stroomprijs is maar een cent of vier per kilowatt uur, terwijl de optelsom doorloopt naar twintig. Dat betekent dat de overheid een grote verantwoordelijkheid heeft om de betaalbaarheid van de transitie voor alle inkomensgroepen te waarborgen. Het belastingstelsel is in Nederland progressief ingericht; de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten. Echter, energiebelasting en gemeentelijke heffingen zijn voor iedereen hetzelfde.

Het Klimaatakkoord geeft tot nu toe alleen duidelijkheid over dat gas duurder wordt en stroom goedkoper. Maar hoe voorkomen we dat alleen huishoudens met financiële mogelijkheden om te renoveren, profiteren van deze ‘schuif’? Hoe voorkomen we dat netbeheerders verouderde gasnetten moeten blijven onderhouden, waardoor de kosten onnodig oplopen, terwijl de kapitaallasten voor de netverzwaring daar nog bijkomen? Over deze onderwerpen wordt veel te weinig gesproken, uit angst bewoners kopschuw te maken.

Tijd voor een goed gesprek
De inkomensplaatjes en de energietransitie; het wordt hoog tijd dat daarover een volwassen gesprek gevoerd wordt. Ja, het kost geld; ja, we kunnen dat betalen; en nee, het mag geen feestje voor tweeverdieners worden. Want dat betekent dat de consument die niet kan lenen, op duur gas blijft zitten en steeds hogere netwerktarieven voor zijn of haar kiezen krijgt.

Erik Wiebes gaat over het klimaat en weet vanuit zijn vorige baan alles over belastingen. Als hij in de komende maanden met een duidelijk verhaal komt over hoe we de energietransitie betalen, wordt voorkomen dat er een donkere wolk blijft hangen boven de mensen die het aangaat: de inwoners in al die wijken die de komende jaren van het gas af gaan. Het alternatief is dat de discussie wordt gekaapt door klimaatontkenners en politici die graag op angst inspelen.

Blokkades of Boom…

Boom festival in Portugal is voor veel mensen een psytrance, Goa-style dansfeest dat een dag of zeven duurt. Maar er zijn ook conferenties, key note sprekers en workshops over transformatie, naast alle culturele activiteiten. Niet gehinderd door de bassen van een paar honderd meter verderop, namen ik en zo’n honderd anderen uit alle windstreken, deel aan een interactieve sessie met Rita Venturini. Haar kernboodschap was: de toekomst geef je vorm door in het heden los te maken wat vast zit. Elke hindernis die lang niet genomen is in haar ogen een blokkade. Hoe is anders te verklaren dat we oorlogen hebben terwijl iedereen vrede wil, honger terwijl iedereen voorspoed nastreeft en dierenleed terwijl iedereen van dieren houdt?

Opvallend in haar betoog was dat elke beweging vanuit die blokkade, een verbetering inhoudt. Als deelnemers konden we dat zelf ervaren door op zoek te gaan naar een blokkade die je dwars zat en die lichamelijk te symboliseren; om die daarna met behulp van anderen nog wat sterker te maken en tenslotte die anderen toe te staan je in een andere lichaamshouding neer te zetten. Wat niet noodzakelijk een betere houding was, maar wel anders en dus een einde aan de zelfgekozen blokkade (tenminste, de lichamelijke versie daarvan).

Dit soort workshops zijn altijd licht ongemakkelijk. Maar je gaat ook niet naar een festival in deze categorie om vervolgens een week in je comfort zone te blijven. En het is waar: door het veranderen van je houding, door drie anderen, ervaar je ‘aan den lijve’ hoe makkelijk het eigenlijk is om uit vastzittende situaties te komen.

Dit was de eerste dag na de openingsavond en het was negen uur ’s ochtends. Je doet een ‘rare’ oefening; maar niemand had ook maar enig oordeel over een ander. Dat is kenmerkend voor Boom: iedereen bejegent elkaar positief. Zelfs de ambtenaren die de papieren kwamen controleren van een standje waar ik een trui kocht (Boom is landinwaarts aan een meer gesitueerd, het koelt ’s avonds veel harder af dan in Nederland) bleken aangestoken door de positieve vibe. De papierwinkel klopte maar ik had het gevoel dat ze anders ook hadden gedacht: we gaan dit feestje niet bederven, ook niet voor deze standhouder.

Veertigduizend mensen uit 141 landen, die allemaal hun best doen voor een schoon terrein, beperkt watergebruik, die nergens wildplassen, zich aan niets of niemand ergeren en in grote getalen helpen met wat er te doen is. Het is natuurlijk in de eerste plaats een leuke happening, maar je kunt er ook naar kijken als een sociaal experiment. Je wordt voortdurend gevraagd om je verantwoordelijk op te stellen, maar na de toegangscontrole is er alleen maar vertrouwen dat je bijdraagt aan de herhaalbaarheid van het festival. Als je met zoveel mensen een week lang in een swingend soort harmonie samen kunt zijn met al die nationaliteiten, kan dat dan ook niet in een stad of dorp? Wat als we elkaar in een middelgrote stad in Nederland zouden vertrouwen, geen oordeel meer hebben over onszelf en over de anderen, niet langer bang zijn minder te krijgen of bemachtigen dan een ander, als we rekening zouden houden met elkaar, met de planeet en met de herhaalbaarheid van de manier waarop we genieten?

Tussen die gedroomde werkelijkheid en de gemiddelde binnenpagina van de grootste krant van Nederland, zit nog wel wat verschil. Dat is te bekijken als een enorme stapel blokkades. Die blokkades opheffen is niet zo ingewikkeld, als je je laat helpen door anderen en zelf anderen helpt. Dat pikte ik vooral op uit die workshop. Het zijn een heleboel kleine doorbraakjes, bewegingen in zaken die vastgeroest lijken, maar met wat hulp zo kunnen veranderen in iets nieuws. Het hoeft allemaal niet in een grote klap. Boom op zichzelf veroorzaakte al een hele serie doorbraken in levens van mensen. Jij en ik hebben ook de hele dag kansen om te helpen of hulp van anderen toe te laten. In beweging komen is het enige wat nodig is om een bijdrage te leveren aan de verandering van een vastzittende situatie naar iets nieuws. En intussen kunnen we beter niet vergeten plezier te maken met elkaar.

Overvloed: delen in plaats van verdelen (longread)

We hebben het met zijn allen een beetje stom ingericht. Niet alleen vernietigen we ecosystemen waar we in hoge mate van afhankelijk zijn, ook onder elkaar zijn we onhandig bezig. Er zijn mensen op deze wereld die last hebben van ondervoeding en er zijn er nog meer die last hebben van chronisch overgewicht. Beide groepen doen zichzelf tekort.

Liever video dan tekst? Hier heb ik dit verhaal op YouTube gezet.

Op het eerste gezicht hebben de mensen met overgewicht de sleutel van dit verdelingsprobleem in handen: ze hoeven wat ze niet nodig hebben om in vorm te blijven, maar te gunnen aan de mensen met ondervoeding en het resultaat zou zijn dat je aan beide zijden fitte, gelukkige mensen overhoudt. Dit verhaal gaat over de vraag waarom dat ondanks aanhoudende inspanningen van allerlei types met een geheven vingertje, tot nu niet zo goed lukt; en over de oplossingen, die volgens mij onder handbereik liggen.

In het meesterlijke boek Sapiens, een kleine geschiedenis van de mensheid beschrijft Yuval Noah Harari wat er gebeurde toen we van jagers-verzamelaars landbouwers werden. Van een onbeduidende diersoort, die in balans was met andere diersoorten, veranderden we in een soort die dominant aanwezig was. Harari vraagt zich af of we er nu echt gelukkiger van werden, want het was hard werken om alle mondjes van de snel groeiende diersoort te voeden. Maar succes smaakt altijd naar meer en de homo sapiens cultiveerde er vrolijk op los. Families gingen samenwerken en al gauw waren de groepen zo groot dat er mythes en idealen nodig waren om de boel bij elkaar te houden. Harari rekent alle wereldgodsdiensten tot dit succesvolle concept, maar de combinatie vrije markteconomie, democratie en consumentisme net zo goed. ‘De vrije wereld’ wint hard terrein. De markt als het leidende ordenende principe is bijna heiliger dan wat dan ook, misschien zelfs voor sommige devote gelovigen.

Economie is de wetenschap die bestudeert hoe mensen opereren in dit gezamenlijke verhaal. De definitie die ik op de middelbare school uit mijn hoofd moest leren (en merkwaardig genoeg nog niet vergeten ben) luidt: economie is de wetenschap die bestudeert hoe mensen hun behoeften proberen te bevredigen met behulp van schaarse middelen. Het gaat daarbij dan om ‘economische schaarste’; er hoeft geen tekort te zijn om iets toch een waarde te geven. Op dit paradigma hebben we een samenleving gebouwd die zo veel mogelijk individuele behoeften probeert te bevredigen, als het moet ten koste van anderen. We nemen daarbij het zekere voor het onzekere; ook als we genoeg hebben, gaan we door met het bemachtigen van zoveel mogelijk zaken. Wie weet tenslotte wat de toekomst brengt? Dit past bij de -in evolutionair opzicht- oudere delen van ons brein; er is niet altijd fruit in de buurt, dus als het er is, zorg je dat je het te pakken krijgt.

De kern van mijn betoog is dat ons onvermogen om op een normale manier om te gaan met overvloed, een belangrijke oorzaak is van een hele serie problemen, zoals onnodige armoede en ons onvermogen ecosystemen in tact te laten. We redeneren vanuit schaarste, terwijl we overvloed hebben gecreëerd. We zijn vergeten ons denken aan te passen op de nieuwe situatie.
Schaarste lijkt niet zo’n vreemd begrip. Het heeft eeuwenlang ons handelen succesvol aangestuurd, met vooruitgang als gevolg. Mensen hebben nou eenmaal geen oneindige hoeveelheid geld, ze moeten kiezen, dat ervaren we ook nu nog iedere dag. Daar balen mensen van; ze willen niet kiezen, ze willen alles. Daarom gaan ze hard werken, beter presteren, iets slims verzinnen en er een bedrijf omheen bouwen. Maar wat als we niet meer hoeven te kiezen? Veel kinderen in ons land weten niet eens meer wat ze moeten vragen voor hun verjaardag, dus geven we ze maar geld.

Schaarse middelen vormen het loopmolentje waarin we als een dolle zijn gaan rennen. In een rijk land als Nederland zijn we daar zo bedreven in, dat een man die voor het eerst een kindje krijgt,wel tien hele dagen vrij krijgt. Dat is nieuw beleid en we worden geacht er blij mee te zijn. Na twee weken kan de kersverse vader weer snel in zijn molentje stappen, als een verslaafde hamster op zoek naar een endorfine-fix. De vrije markteconomie is misschien geen god, maar we brengen hem verdacht veel offers. Waarom denken we niet na over de mogelijkheid veel meer tijd met de baby door te brengen? Zo zijn we niet geconditioneerd. Het nageslacht moet het nog beter hebben dan wijzelf, dus gaan we door met het bemachtigen van zoveel mogelijk schaarse middelen. Het beheerst ons denken.

In armere delen van de wereld zijn ze zo jaloers op deze welvaart, dat ze alles in de steek laten om hier een graantje mee te komen pikken. We zijn niet blij met de bijdrage die deze mensen kunnen komen leveren aan het systeem; we vangen ze in kampen (het woordje ‘op’ ontbreekt misschien niet helemaal per ongeluk), het liefst zo ver mogelijk weg. Als het echt niet anders kan komen ze hier in centra waar ze vooral niet mogen werken. Het zijn de gevolgen van ingebouwde prikkels; het denken in schaarste leidt tot de wens om te houden wat je hebt, ongeacht de vraag of het ook nodig is.

Toch zijn best veel belangrijke zaken zo overvloedig aanwezig, dat ze zelfs in economisch opzicht niet schaars zijn. Lucht is een voorbeeld. Lucht is verschrikkelijk belangrijk, we kunnen geen vijf minuten zonder. Maar er is genoeg, en in ons gezamenlijke verhaal speelt het dus geen enkele rol. Het wordt niet verdeeld, maar gewoon gedeeld. Alleen in Manhattan is lucht iets waar je in kunt handelen; je koopt de lucht boven het pand van je overbuurman, zodat die niet kan bouwen en je uitzicht verpesten. Voor de rest denkt niemand over lucht na, behalve over de vervuiling ervan. Een ander overvloedig aanwezig ding is water. Tweederde van de aardkorst is bedekt met water, en de diepste delen zijn zo diep als de hoogste bergen hoog zijn. Zoet water is al wat schaarser en dus slagen mensen er in daar geld aan te verdienen. Dat is met zout water nog nooit gelukt. Er worden ook geen oorlogen uitgevochten over lucht of zout water. Elke gelovige van de vrijemarkteconomie accepteert dit. Je kunt dit soort zaken maar het beste negeren, redeneert ook de economische wetenschap: juist omdat het zelfs in economisch opzicht niet schaars is, mogen lucht en zout water niet meedoen. Maar voor de rest zijn er behoeften te over die bevredigd moeten worden met schaarse middelen. Lucht en water lijken de uitzondering te zijn die de regel bevestigt.

Maar nu gaan we het wat spannender maken. Ik heb zojuist ‘loopmolentje’ in google’s omnibox getypt. Ik moest een halve seconde van mijn kostbare (want schaarse?) tijd wachten, maar toen had ik ze: 13.800 relevante zoekresultaten. Allemaal toegespitste informatie over een belangwekkend onderwerp als loopmolentje. Hierover zou ik graag met u tot zaken komen. Als ik u nou honderd van deze zoekresultaten aanbiedt, dan heeft u daar toch wel een bedrag voor over? Oké, u misschien niet; u zit niet in de doelgroep “geïnteresseerd in loopmolentjes”. Maar iemand die daar alles, echt alles van wil weten, die verkoop ik toch wel mijn zoekresultaten?

Google is het op één na waardevolste bedrijf ter wereld (na Apple, en die gaan ze ook nog pakken). Facebook, een bedrijf dat mij mijn eigen vrienden aanbiedt en daar geen geld voor vraagt, staat ook in de top-vijf. Deze bedrijven maken niets wat ze verkopen. Ze maken winst, dat zeker, anders werden ze niet zo waardevol. Maar dat doen ze door informatie gratis aan te bieden, die net zo overvloedig aanwezig is (juist dankzij die tech-bedrijven) als lucht of zout water. Mijn behoefte aan kennis is zeker aanwezig, en heel belangrijk, maar tegelijk hoef ik niet te kiezen. Zal ik een nieuw telefoonhoesje kopen of kies ik voor 13.800 uiterst relevante zoekresultaten? Die vraag doet zich gewoon niet voor. Toegang tot kennis is er in overvloed, er is geen schaarste in.

Een definitie die ik niet op school leerde, is die van de kenniseconomie: “economie waarin naast de productiefactoren arbeid, natuur en kapitaal de productiefactor kennis steeds belangrijker wordt”. Hier staat ongeveer: schaarste wordt een steeds minder belangrijke driver voor gedrag. In deze economie is behoeftebevrediging al veel minder synoniem met het ontsnappen aan de schaarse. Dat zie je om je heen: mensen leren de overvloed herkennen. Veertigers zeggen hun loopmolen-baan op en gaan grondig ‘ontspullen’, al valt het niet te voorkomen dat op een verjaardag ineens een oude vriend of vriendin aanbelt met een manshoge Boeddha uit de Xenos. Je ziet het ook aan alle platforms waar je kunt delen, zoals airbnb en snappcar. Het bezit van iets wordt minder belangrijk.

Arbeid, natuur en kapitaal; in de traditionele economische opvatting zijn het de schaarse productiefactoren. Dat is in alle economische activiteit nog steeds het merendeel van alle transacties. Je kunt geld verdienen met grond, met werken en met geld; dus in economische zin is die schaarste er. Maar hoe schaars is -om te beginnen- arbeid? Dat lijkt mij overvloedig aanwezig. We zijn nu met zeven, en straks op de piek met tien miljard mensen. Die kunnen ook nog eens worden geholpen door drones, robots en zelfsturende auto’s. Daar moeten we toch genoeg manshoge boeddhabeelden mee kunnen maken om iedereen die daar behoefte aan heeft gelukkig te maken, om vervolgens aan de slag te gaan met de rest van het spul? In slechtwerkende economieën klaagt iedereen altijd over gebrek aan werk, niet over gebrek aan arbeid. Zelfs in economische zin is arbeid nauwelijks schaars. De loonkosten zijn in een groot deel van de wereldbevolking zo laag, dat het de moeite loont om met de hand ingedroogde verfresten uit blikken te verwijderen. Een dag werken levert in veel landen een of twee euro op. Dat is echt niet omdat er een groot tekort is aan arbeidskrachten. De wereld globaliseert en digitaliseert; daardoor is steeds meer werk onafhankelijk van de plaats waar je woont. Met de snel groeiende bevolkingen in Azië is het einde van de overvloed aan arbeid nog niet in zicht. Ook het robotiseren van taken draagt bij. Er is te weinig werk, niet te weinig arbeid. Via allerlei regels proberen we de illusie in tact te houden dat werken loont omdat arbeid schaars is; immigratie toelaten leidt tot ‘verdringing’ en dat moet ten koste van alles voorkomen worden. Waarom eigenlijk? Dat lijkt niemand zich af te vragen.

Natuur (bijvoorbeeld grond) is nog zo’n schaarse productiefactor. In economisch perspectief is dat zeker waar. Maar houden we ook deze schaarste niet zelf kunstmatig in stand? Als we met zijn allen net zo dicht op elkaar gingen wonen als in Manhattan, paste de wereldbevolking in Spanje. In Manhattan wonen een hoop gelukkig mensen, die het bijzonder goed gedaan hebben in hun leven. Natuurlijk hebben we dan nog grond nodig om voedsel te produceren en fabrieken neer te zetten, maar er is in feite grond zat. De Sahara is ongeveer zes keer zo groot als de Europese Unie en grotendeels leeg. Met een stevig systeem voor het transport van water die kant op, valt er echt wel wat meer van te maken dan nu.

Op dit moment gaan we niet goed met de natuur om. Twee aspecten zijn met name onhandig: het verbranden van fossiele brandstoffen en het vernietigen van ecosystemen. Om in een sterk gestegen energiebehoefte te voldoen, halen we op immense schaal kolen, olie en gas uit de grond. Daar zit koolstof in dat miljoenen jaren geleden is vastgelegd, toen er nog geen enkel zicht was op onze diersoort. Dat was een traag proces en wat wij nu doen, is al die koolstof in een paar generaties de lucht in blazen als CO2. Het gevolg is dat we een deken over de aarde leggen, maar ook dat de oceanen verzuren. Soorten passen zich normaal gesproken aan wisselende omstandigheden aan, maar dit tempo kan de evolutie natuurlijk niet bijbenen. De vraag is of dat niet anders kan? Zolang de zon ‘s ochtends opkomt, is het antwoord: ja, dat kan prima anders. De straling van de zon, slechts één van de onuitputtelijke bronnen van energie die we onder handbereik hebben, overtreft de wereldwijde vraag veruit. Energie is in feite net zo overvloedig aanwezig als lucht of kennis. In het midden van onze aardbol vindt voortdurend kernfusie plaats, zodat we vrij gemakkelijk aardwarmte kunnen oogsten zonder ons ooit druk te hoeven maken over de eindigheid daarvan. Bovendien slingert de aantrekkingskracht van de maan onze oceanen heen en weer, zodat de energie in eb en vloed altijd aangevuld wordt. Daarom is het niet nodig de vastgelegde CO2 van miljoenen jaren terug, in verbrandingsmotoren om te zetten in energie en CO2. Het is een ingewikkelde klus om over te stappen, maar toch niet zo ingrijpend als de industriële revolutie zelf. Dat zette het leven van mensen veel ingrijpender op zijn kop dan een nieuwe energie-infrastructuur. We hoeven zeker niet met explosieven de toppen van bergen te blazen om aan kolen te komen, waarmee we het aanzien van hele stukken van de aarde voorgoed veranderen. Gelukkig hebben politici nu met elkaar afgesproken dat we stoppen met fossiele brandstoffen en deze te vervangen door hernieuwbare bronnen.
Ecosystemen worden ook vernietigd om aan voedsel te komen. Boeren branden stukjes tropisch regenwoud af om aan landbouwgrond te komen, die na twee jaar is uitgeput. Geld voor kunstmest is er niet, dus branden ze maar een nieuw stukje bos plat. Dit is geen gebrek aan grond, maar een gevolg van het feit dat we er niet in slagen de overvloed eerlijk te delen. Er is geen enkele reden waarom we geen kunstmest naar die boeren zouden sturen, dat zou een hoop oerwoud sparen. Maar delen past niet in ons systeem: ze moeten het kopen, en als ze geen geld hebben, hebben ze pech. Zo faalt de marktwerking wel vaker, maar als een trouwe gelovige blijven we hopen op de barmhartigheid van de vrije markt.

Kapitaal als een schaars productiemiddel beschouwen, heeft geleid tot één van de grootste problemen van deze tijd. Mensen die genoeg geld hebben om naast hun persoonlijke consumptie geld over hebben om nog meer te maken, worden steeds rijker. Mensen die amper of prima rondkomen, worden in relatieve zin armer. Toen het even wat minder ging met rijke mensen, tijdens de kredietcrisis, waren de overheden graag bereid om de geldkraan vol open te draaien. Dat deden ze natuurlijk om mensen zonder vermogen te helpen, want ook zij werden geraakt door de crisis. Maar het gevolg was wel, dat de rijken er zonder moeite weer bovenop kwamen. De facto is geld nu niet schaars. Normaal zou dat tot inflatie moeten leiden, want dat is geldontwaarding en als je veel geld drukt verminder je schaarste en dus de waarde. Inflatie bleef lange tijd uit, omdat energie en arbeid maar niet in prijs wilden stijgen. Niet vreemd, in het licht van het bovenstaande.

In feite is kapitaal nooit schaars geweest. Kapitaal is een abstractie. Schaarste aan geld is onderdeel van de mythe, van het verhaal dat ons bindt: de vrije markteconomie in een op democratische wijze gereguleerd kapitalistisch systeem. Een slechte ondernemer heeft meer moeite om geld te lenen dan een goede en betaalt meer, daar gaat een ordenend effect vanuit. De theorie is best leuk. Maar als de geldpers vol wordt aangezet bij tegenwind, wordt het moeilijk om het juiste geloof te behouden. Geld moet dan op zoek naar een bestemming en niemand let echt goed op de kwaliteit van de ondernemingen of onderpand. Dat voelt niet echt lekker. De twijfel maakt de abstractie waarneembaar: geld doet wat geld moet doen omdat we er met zijn allen in geloven en waarom we dat doen, weet eigenlijk niemand; je kan er met zijn allen immers genoeg van drukken als het slecht gaat?

Lucht, zout, zand, water, energie, arbeid, grond, kennis, geld – goed beschouwd is het allemaal in meer dan voldoende mate aanwezig. De wereld heeft geen schaarsteprobleem, maar een verdelingsprobleem. In rijke delen van de wereld wordt verspild en zijn de gevolgen van overgewicht de grootste doodsoorzaak; in andere delen van de wereld kampen mensen met honger, falende regimes, conflicten en worden noodgedwongen oeroude ecosystemen vernietigd. Waarom gaan we met arbeid, grond en geld dan niet hetzelfde om als met kennis of lucht?

Als we uitgaan van overvloedig aanwezige arbeid, kunnen we er geen geld voor vragen. Maar geld is toch al een abstractie. In die zin kunnen we er net zo goed wel geld voor vragen, zolang we dat overal op dezelfde manier doen. Het maken van verschil in de prijs van arbeid wordt in een globaliserende wereld met kunst en vliegwerk in stand gehouden. We beperken immigratie, beschermen onze eigen boeren met tariefmuren en exportsubsidies, belonen intellectueel eigendom wat ontwikkeling in arme delen van de wereld remt. Dit is geen marktwerking, dit is met regels beschermen wat je hebt. Als dat kan, dan kun je ook regels maken die het delen van de overvloedig aanwezige productiefactoren vergemakkelijken.

Het zou wel een einde betekenen aan het consumentisme en het onvoorwaardelijk geloof in de markt. Dat zou een probleem zijn als consumentisme tot geluk zou leiden. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Geld maakt gelukkig, tot je voldoende hebt. Daarna houdt het op. Maar wij zitten in het loopmolentje, en reageren op andere prikkels dan volgens dit soort onderzoeken zou moeten. Meer is beter denken we; en als we er niet meer uitzien nemen we een abonnement op de sportschool. Waar we best vaak niet heen gaan. Intussen hebben we last van schuldgevoel; het voelt niet goed om nieuwe schoenen te kopen voor de andere versleten zijn, en we weten dat ze met kinderarbeid in elkaar zijn gezet omdat robotarmen te duur zijn. Niets is een betere brandstof voor herhaald gedrag dan schuldgevoel, dat kan elke verslaafde beamen. Dus we schudden het knagende geweten van ons af en scoren een nieuwe fix.

Daar kunnen we mee stoppen, want er is zoveel van alles dat we met spullen en voedsel net zo ontspannen om kunnen gaan als met lucht of google-resultaten. Veel mensen worden wat zenuwachtig van dit perspectief. En onze footprint dan? Als ze in China vlees gaan eten, hebben we een nieuwe wereld nodig! Millennials eten uit principe geen vlees en voelen zich slecht als ze naar Peru vliegen. Maar als je de feiten op een rij zet, blijkt dat schuldgevoel nergens voor nodig. Er zijn heel veel redenen om geen vlees te eten, maar dat het niet in de footprint zou passen is er niet één van.

Denken in footprint is het nieuwe schaarstedenken. Er zijn verschillende toepassingen van het footprint-concept: één is de CO2-footprint. Energie (verwarming, stroom) en de rest van westers consumeren nemen elk ongeveer de helft van de CO2-footprint van u en mij voor hun rekening. Maar omdat we stoppen met fossiele brandstoffen, zowel voor energie als voor productie, verdwijnt de CO2-footprint in de komende decennia als probleem. Natuurlijk komt bij elke verbranding CO2 vrij, maar die CO2 wordt ook weer vastgelegd tijdens de groei van nieuwe biomassa. De menselijke factor in opwarming verdwijnt als we stoppen met fossiele brandstoffen. En zo verschrikkelijk moeilijk is dat nou ook weer niet; het is in ieder geval makkelijker dan omgaan met de gevolgen van de klimaatverandering die we nu al hebben veroorzaakt.

De tweede toepassing van het concept, is material footprint. Welk beroep op natuurlijke hulpbronnen kunnen we doen, zodat het systeem herhaalbaar blijft? Als je verspilling (het weggooien van voedsel bijvoorbeeld, in de vuilnisbak of in uw eigen lichaam omdat het anders zonde is) weglaat, is er meer dan voldoende voor tien miljard wereldbewoners (we hebben er nu zeven en de groei vlakt af, maar met tien miljard gaan we stabiliseren).

Een leven waarin voldoende eten is, onderwijs, een goed huis, meubels, politie buiten, gezondheidszorg en een normale hoeveelheid vervoer, in de wetenschap dat diezelfde levensstijl is weggelegd voor iedereen en alle generaties na ons, maakt waarschijnlijk gelukkiger dan ons huidige verslaafde leven. Zonder knagend geweten kun je veel beter genieten van je dag. Ik heb het op basis van veelgeciteerd Fins wetenschappelijk onderzoek uitgerekend: tot tien miljard inwoners kan iedereen zo’n leven leiden. Of je reist 30.000 kilometer per jaar (wat best veel is als we het leven wat minder onhandig inrichten, het is bijna vijf keer de wereld rond) of je eet elke dag vlees; allebei is wat teveel van het goede. Ik noem dat een overvloedige levensstijl.

Er zijn talloze manieren om je te onderscheiden, op andere criteria dan materiële welvaart. Millennials interesseert het al weinig meer hoeveel een ander verdient en moeten hun best doen geen oordeel te hebben over het patsergedrag dat voorkomt in de generaties voor hen.

Als iedereen door krijgt dat er genoeg arbeid is, genoeg energie, genoeg materiaal en aardoppervlak om tien miljard mensen een uitstekend leven te geven op een manier die je kunt herhalen zo lang als je wilt, dan komen er andere prikkels boven drijven. Het gaat er ineens om wat je wilt bijdragen. Je kunt kiezen voor een mix: wat fysieke arbeid in de buitenlucht, een paar uur aan opleiding doen, puzzelen aan een geluidloze boormachine. Als je niets wil doen zal niemand je aankijken (voor jou tien robots of algoritmes) maar dat wordt al snel erg saai. Geld is dan allang niet meer de manier om uit te drukken dat je het beter doet dan een ander.

Dit hele systeem moet geordend worden, maar ook daartoe zijn we soms verrassend goed in staat. Neem internet, een min of meer geregeld systeem, in ieder geval een enorme wereldomspannende infrastructuur waarvan de governance nauwelijks iets kost. Zo kun je ook aan nieuwe systemen bouwen die het delen van andere zaken dan kennis en digitaal contact ordenen.

Wat we nodig hebben is een nieuw verhaal. Yuval Noah Harari gaf mij de eye opener dat samenlevingen werken vanwege een gemeenschappelijk geloof, of dat nu een religie is of een concept hoe de maatschappij moet worden ingericht. Hij schreef ook dat de overgang van het ene geloofsysteem in het andere, gepaard gaat met incorporatie van wat mensen al geloven. De Romeinen waren daar al handig in. Jullie geloven een god die voor mooie oogsten zorgt? Dan is daar vanaf heden een officiële beschermheilige voor. Als bekend was het de Romeinen namelijk meer te doen om de belastinginkomsten.

Zo zou het kunnen zijn: de vrije markt mag best blijven. In overvloed denken betekent niet dat je geen ordenend principe meer nodig hebt in de transacties tussen mensen. Maar we moeten wel af van het systeem waarin het beter belonen van het ene uur arbeid, dan een uur arbeid wat verderop, tot grote voordelen voor enkelen kan leiden, wat we nu met veel kunst en vliegwerk in stand proberen te houden. In het westen moeten we gaan inzien dat we eigenlijk werken voor ‘the hack of it.’ Wat er aan vies of ongezond werk overblijft, moeten we verdelen, maar het leuke werk doen we omdat het kan. In de armere delen van de wereld zal het ontwikkelen van overvloed zorgen voor een einde aan conflicten, een einde aan het vernietigen van de laatste oeroude ecosystemen en voor groei op een manier die herhaalbaar is.

Erg calvinistisch is dit nieuwe verhaal niet, maar ik ben er van overtuigd dat het bovendrijft. Leven in overvloed, zonder schuldgevoel over mensen elders of de kleinkinderen van je kinderen; het is een aanbod dat niemand kan weigeren.

Fusieleed: een dossier waarin alles misging wat mis kon gaan

Huizen, Blaricum en Laren schrijven in een brief aan de provincie Noord-Holland dat ze gezamenlijk verzoeken de ARHI-procedure te stoppen. Een even terecht als begrijpelijk verzoek; alledrie hebben een zelfstandig voortbestaan in de coalitieakkoorden staan. Het aanhoudende uitstel van de provincie, die volgens de wet klaar had moeten zijn met een herindelingsontwerp in november 2017, wekt irritatie. Nu wil men weer wachten op een nieuw beleidskader van het ministerie. Misschien staat daar in dat de provincie zich aan geen enkele wettelijke bepaling meer hoeft te houden, draagvlak er niet toe doet en er geen probleem hoeft te zijn om toch een fusie door te drukken. Het lijkt niet zo waarschijnlijk, maar er gebeuren gekkere dingen.

Als dat beleidskader er is, naderen de provinciale verkiezingen van maart 2019. Dat betekent dat het huidige college van Gedeputeerde Staten de klus niet meer kan klaren. Ook de Commissaris van de Koning heeft zijn vertrek aangekondigd. Wat treffen de opvolgers aan? Een dossier waarin alles mis is gegaan wat mis kon gaan. Onderzoeken die geen urgentie aantroffen (de herindeling is dus een oplossing op zoek naar een probleem), een procedure over geheimhouding waarin de provincie keer op keer een tik op de vingers krijgt, tegenstrijdige brieven naar de gemeenten, een toezegging in de Statenvergadering dat de HBL-fusie nog onderbouwd wordt waarna het maandenlang stil blijft, een duur adviesbureau dat doodleuk noteert dat ze wel gaan praten maar dat niemand iets in te brengen heeft, optimistische signalen uit Hilversum dat het een grote Gooistad moet worden, waar Gooise Meren en Huizen vervolgens niets voor blijken te voelen.

Fijne erfenis is dat. Dan begin je echt lekker aan een nieuwe periode van vier jaar. Bovenop het stapeltje ligt de brief van de drie HBL-dorpen, waarschijnlijk van harte ondersteund door de gehele raad van Eemnes. Die brief bevat dan een best aantrekkelijke suggestie: stop het proces en ga eerst je knopen eens tellen.

Niemand in het Gooi zit te wachten op drie gemeenten. In geen enkele reactie van de gemeenteraden was enthousiasme te ontdekken voor dat plan. Democratie is óók rekening houden met de minderheid, maar als die minderheid bestaat uit hardhorende bestuurders in het provinciehuis, ligt het anders. In zo’n situatie hoort de meerderheid, in de raad en op straat, gewoon de doorslag te geven.

Nieuw uitstel in fusiepoging Gooi

Op de dag dat naar buiten kwam dat ik Martijn Gebbink aflos als raadslid voor D66 Eemnes, maakte Noord-Holland bekend de ARHI-procedure in het Gooi nog maar eens met een onbekend aantal maanden te verlengen. De wet schrijft voor dat de provincie drie maanden mag uittrekken om tot een fusie-ontwerp te komen; daar plakte Haarlem eerder al een half jaar aan vast. Bureau Berenschot zou in die tijd proberen draagvlak bij elkaar te toveren waar het niet was. Het bureau begon ongelukkig door aan het papier toe te vertrouwen dat de gemeenten helemaal niets in te brengen hadden. Hoever Berenschot gekomen is, blijft vaag; in ieder geval kunnen ze nu stoppen. Want Haarlem heeft zijn licht opgestoken bij het ministerie en stootte daar zijn neus. Officiële reden is dat men ontdekte wat al sinds maanden bekend is: er komt een nieuw beleidskader. Volgens de site van de provincie komt daar iets in te staan over de andere rol die de provincie gaat spelen. Hoe men aan deze informatie komt, is niet geheel duidelijk; misschien had het wel geheim moeten blijven zolang er nog aan gewerkt wordt. Hoe het ook zij, gezien het optreden van de minister in Landgraaf en nu dus in het Gooi, wordt de rol van de provincies vast niet groter.

Noord-Holland zat al enige maanden in een verloren gevecht, vooral tegen zichzelf. Het krampachtig geheim willen houden van de concept GS-nota, waarin uiteindelijk zelfs allang gepubliceerde besluiten werden weggelakt, getuigde niet van veel zelfvertrouwen. Het aangekondigde vertrek van de CdK, Johan Remkes, gaf ook al voeding aan speculaties dat de fusiepoging zou stranden. Hij was de drijvende kracht achter de top-down benadering, waar zijn gedeputeerde meer ruimte wilde geven aan overleg en compromissen.

Het zomerreces komt er zo langzamerhand aan en als dat voorbij is, zijn we een jaar verder na afronding van het zogenaamde ‘open overleg’. De provincie mocht er drie maanden over doen; maar gaat dus straks het tweede jaar in. Uiteraard allemaal in het belang van de ‘zorgvuldigheid’, zoals de provincie schrijft op haar site.

Maar dat is onzin; het voortdurend oprekken van de wettelijke termijn betekent veel onzekerheid voor de dorpen. Zij weten niet goed welke onderwerpen ze in de collegeprogramma’s moeten zetten, omdat ze domweg geen idee hebben wat een evt. fusiedatum zou zijn, als die al doorgaat. Hoe kun je dan de goede maatregelen beloven? Daar komt bij dat elke personeelsadvertentie die geplaatst wordt voor een nieuwe ambtenaar, al enige tijd begint met een paar alinea’s over de onzekere toekomst van de BEL Combinatie. De wet ARHI verbindt juist om zulke ‘langdurige onzekerheid’ bij gemeenten te voorkomen, termijnen aan de processen. Dat weten ze op het provinciehuis ook wel, maar om verder gezichtsverlies te beperken wordt de handdoek niet meteen voor iedereen zichtbaar in de ring gegooid. Dat het kleine beetje steun voor de fusie wat er nog was, hierdoor verder verkruimelt, is blijkbaar een prijs die men wil betalen.

Intussen blijft het gissen wat minister Ollongren straks in haar beleidskader gaat opnemen. Waarschijnlijk hebben de provincies straks een stuk minder in te brengen, omdat zowel in Limburg als in Noord-Holland de regels die in de wet ARHI staan, met voeten werden getreden. Misschien gaat Den Haag de regie pakken en zet men in op een grote Gooi-gemeente. Nog steeds spreken veel mensen dan over een gemeente met 250.000 inwoners, maar niet alleen Eemnes, ook Weesp is intussen afgehaakt. Natuurlijk is ook 230.000 inwoners nog altijd een groot aantal. Het felste verzet tegen zo’n mega-gemeente zal in dat geval waarschijnlijk uit Huizen komen, waar ze hun zaken prima voor elkaar hebben en dat het liefste zo houden.

In de gemeenteraad van Eemnes zal ik in ieder geval (net als alle andere raadsleden) met hernieuwde energie pleiten voor benaderbaar bestuur, op een schaal die dicht bij de mensen staat. Het bestuur is er tenslotte voor de inwoners en niet andersom. Eemnes moet ambitie laten zien en een bijdrage leveren aan regionale opgaven, zoals woningbouw. Dan zal de provincie Utrecht weinig reden zien om op zijn Noordhollands tekeer te gaan.  

Speculaties rond Huis van Eemnes nemen toe – kost afblazen intussen duizenden euro’s per huishouden?

In 2015 stelde de VVD-fractie voor om het Huis van Eemnes te bouwen op ‘Veld 4’. Een motie om nieuwbouw te onderzoeken werd uitgebreid tot alle mogelijke locaties en vervolgens aangenomen. Uit het onderzoekje naar mogelijke locaties kwam Veld 4 inderdaad als de beste optie. Tot tweemaal toe werden omwonenden en belanghebbenden, zoals de voetbalclub, met brieven uitgenodigd om de mogelijkheid in de raad te komen bespreken. In die brieven werd Veld 4 nadrukkelijk genoemd als een van de twee mogelijkheden waar de raad tussen zou kiezen. Er kwam bijna niemand die tegen de nieuwbouw was op de vergaderingen af. Ruim een half jaar na de motie nam de raad een besluit: nieuwbouw op Veld 4. De coalitie waarin CDA en D66 samenwerkten met twee ex-VVD raadsleden die tegen nieuwbouw waren, sneuvelde op dit dossier. De PvdA, verklaard voorstander, schoof aan in de coalitie.

Om dit uit te voeren, moet een groot aantal stappen worden gezet. Ik was toen verantwoordelijk wethouder en ik heb als eerste aan de projectleider gevraagd: kunnen we in maart 2018 het ‘point of no return’ voorbij zijn? Het leek mij belangrijk om te voorkomen dat het Huis van Eemnes net zo’n politiek moeras werd als het Dorpshart indertijd. Er lag tenslotte over de nieuwbouw van het Huis van Eemnes een glashelder besluit, aangenomen met een 8-5 meerderheid, tot in de puntjes doorgerekend; en het plan had de steun van alle gebruikers (anders gezegd, een groot deel van het verenigingsleven in Eemnes). De planning die de ambtenaren maakten, verschafte het antwoord op mijn vraag: de gunning aan een bouwbedrijf kon eind 2017 een feit zijn, zodat de bouw in de zomer van 2018 kon starten. Ik dacht toen: als de gemeente een contract tekent, zit de gemeente vast; want niemand zal op het idee komen om miljoenenclaims te betalen waar geen gebouw voor terugkomt. In de maanden daarna heb ik nooit stiekem gedaan over het passeren van het ‘point of no return’. Volgens mij hoort het onomkeerbaar maken van projecten gewoon bij goed bestuur, om geldverspilling als gevolg van een zigzagkoers tegen te gaan.  

Eén van de stappen in dit proces was een bestemmingsplanwijziging. Daaraan zijn allemaal wettelijke inspraak-eisen verbonden. Ongeveer duizend Eemnessers tekenden een bezwaar, een indrukwekkend aantal. Maar ik ben vrijwilliger op de voetbalclub en ik had wel een aardig idee op grond van welk verhaal mensen die handtekening hadden gezet.  Kort samengevat klopte dat verhaal van geen kant. Onzinverhalen spelen vaker een grote rol in de democratie, dus kijkt de gemeenteraad niet alleen naar het aantal ondertekenaars, maar ook naar de inhoud van het bezwaar. Er zaten geen nieuwe argumenten in, niets dat niet al was meegewogen in 2016. De locatie aan de Noordersingel heeft nadelen; dat heeft verbouwing op de Hasselaarlaan net zo goed. De bezwaren werden afgewezen en een handjevol bezwaarmakers ging naar de Raad van State. In een voorlopige voorziening oordeelde de bestuursrechter dat de raad keurig alle noodzakelijke stappen had gezet en alle belangen had afgewogen. Ook deze gang naar de rechter was voorzien in de planning.  

Daarom was er de gebruikelijke taart, met persfotograaf en al, toen in december 2017 het contract met de ontwikkelaar van het Huis van Eemnes werd getekend. Er was hard maar in een prima sfeer over onderhandeld, en we waren het eens geworden over de laatste details.

Toch werd in 2018 deze ‘gelopen race’ een belangrijk onderwerp in de verkiezingen. Keer op keer hebben we als D66 benadrukt: Eemnes heeft daar al over besloten, er is geen weg meer terug. Dat hielp niet echt en we verloren. Dorpsbelang en de PvdA namen het stokje over en zochten een compromis, want PvdA is nog steeds voorstander van het Huis van Eemnes, Dorpsbelang was tegen. Ze konden elkaar vinden in een enquête, waarvoor nu 1388 enquêtes zijn ingevuld. Wethouders van PvdA en Dorpsbelang weten de uitslag, maar de rest van Eemnes moet tot dinsdagmiddag wachten. Het college vergadert op dinsdagochtend en dan kan de uitslag besproken worden. Op Facebook plaatste Dorpsbelang zaterdag een bericht dat de uitslag op 29 mei bekend wordt, maar dat is een kleine vergissing. Net als het verhaal dat het resultaat ‘statistisch voldoende’ is; dat zou alleen zo zijn als de mensen die het onderwerp matig boeit, er hetzelfde over denken als mensen die er fanatiek over zijn. Je kunt alleen maar speculeren over dat verschil, maar iedereen begrijpt dat je pas echt iets zeker weet over de mening van de Eemnessers als je ze alle 9000 gesproken hebt. Dat kan eenvoudig niet dus we zullen het moeten doen met de indicatie die we hebben.

Intussen lopen de kosten van het afblazen steeds verder op. Was in de informatie van de gemeente nog sprake anderhalf miljoen, nu zingt het getal van zes miljoen al rond in en om het gemeentehuis. Het enige wat vaststaat is dat je het bedrag pas weet als de procedure om het contract op te zeggen, gelopen is. Hoe verder de datum van start bouw nadert, hoe hoger het bedrag wordt, omdat de ontwikkelaar natuurlijk steeds meer onderaannemers vastlegt.

Anderhalf, vier of zes miljoen is op de schaal van Eemnes hoe dan ook een hoog bedrag. Stel dat wethouder Jan van Katwijk en fractievoorzitter Jan de Zeeuw overal zouden aanbellen met een grote collectebus. Stel dat ze zouden vragen: ‘Mag ik voor elk lid van uw gezin even vijfhonderd euro vangen? We willen graag een project van de vorige coalitie stoppen, dat was volgens hen een bezuiniging maar we kijken daar iets anders tegenaan. U heeft twee kleintjes zie ik? Dat wordt dan 2000 euro, u kunt pinnen!’ Dan zouden toch erg weinig mensen meteen hun bankpasje gaan zoeken. Toch is dat wat maandagavond 28 mei wordt voorgesteld.

Omdat elke maand uitstel van de beslissing het bedrag alleen maar verhoogt, was er grote haast met het schrijven van het coalitieakkoord, het installeren van de nieuwe wethouders en het organiseren van de enquête. Dat leidt tot gedoe, want de wethouder heeft geen ervaring in de politiek en moet nog wennen. Hetzelfde geldt voor Dorpsbelang-leider Jan de Zeeuw, die niet goed doorheeft dat als hij iets van zijn wethouder hoort, hij dat niet in de krant moet zetten. CDA, VVD en D66 hebben een motie aangekondigd omdat ze voortdurend minder weten dan andere raadsleden. Dat gebeurt waarschijnlijk in elke coalitie, maar als de coalitiefractie vervolgens steeds aan het woord is in de krant en de oppositie staat met zijn mond vol tanden, dan snappen er een paar mensen niet helemaal hoe het eigenlijk hoort. De motie wordt vast wel verworpen maar als het een les is in de leercurve van de wethouder is er toch iets gewonnen.

Belangrijker is wat er nu besloten wordt. Er zijn in de enquête drie vragen gesteld. Welke geeft de doorslag? Het kan best zijn dat mensen het idee van een huis van Eemnes steunen, maar de locatie niet. En dan? De Hilt en de Bibliotheek gaan niet werken aan een verbouwing aan de Hasselaarlaan of nieuwbouw op een andere locatie en hebben dat de raad laten weten. Er is dus geen andere optie. Wisten de geënquêteerden dat? Wat hadden ze ingevuld als ze het wel hadden geweten? Bovendien, als het afblazen geen anderhalf miljoen kost maar zes, wat zouden ze dan hebben gekozen? Raadsleden zullen daar toch over moeten nadenken, als ze hun verantwoordelijkheid als vertegenwoordigers van de belastingbetaler serieus willen nemen. Dan kan er iets in een coalitieakkoord staan, maar er is een grens aan de mate waarin je je daar achter kan verschuilen. Daar weten we in mijn partij intussen alles van.

 

Enquête Huis van Eemnes leidt tot warrige discussie

Zijn 400 enquêtes een betrouwbare weergave van de meningen in het dorp over het Huis van Eemnes? Daar heb ik de nodige vragen bij. In een grijs verleden werkte ik bij marktonderzoekbureau Inter/View als projectleider. Voor een van mijn opdrachtgevers moest ik uitzoeken of er verwarring kon ontstaan tussen een type auto en bakboter. De klant wilde de resultaten gebruiken in de rechtszaal. De tegenpartij had ook een onderzoekbureau ingehuurd, dat met diametraal andere uitkomsten kwam. Arme rechter.

Dorpsbelang en PvdA hebben een compromis gesloten om de nieuwe coalitie mogelijk te maken, zo werkt politiek nu eenmaal. Het lot van het Huis van Eemnes hangt af van een enquête die nu gehouden wordt. De fractievoorzitter van Dorpsbelang mort over de vraagstelling en de informatiefolder. Hij had daar zelf over mee onderhandeld, zodat raadsleden van de oppositie op een informatie-achterstand kwamen te staan. Om eerst mee te schrijven aan de informatie en er vervolgens publiekelijk afstand van te nemen, laat zien dat de nieuwelingen in de raad nog niet goed begrijpen hoe het hoort te werken. Ze brengen er hun eigen wethouder, Jan van Katwijk, mee in de problemen. Die moet ook nog erg wennen: hij haalde het einde van de geheimhouding een dag naar voren, maar vergat de raad in te lichten. Opnieuw wist zijn eigen fractie het wel, zodat Jan de Zeeuw het alleen voor het zeggen had in de krant.

Als er zo’n enquête loopt, mag iedereen proberen de uitslag te beïnvloeden, zolang de spelregels maar duidelijk zijn. Dat verdiende deze keer zeker geen schoonheidsprijs. Ook onhandig is het dat de gemeente halverwege naar buiten brengt dat er al ‘genoeg’ enquêtes waren ingevuld. De motivatie om mee te doen neemt daardoor af. En het zou heel goed kunnen dat fanatieke tegenstanders in ruimere mate meedoen en sneller insturen dan mensen die onverschilliger staan tegenover het omderwerp. Vertekening door lage respons-percentages is een groot probleem in onderzoeksland. Niemand heeft er een oplossing voor, maar het onderzoeksbureau uit Groningen doet alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Commercieel is dat misschien best verstandig, maar in werkelijkheid zegt een uitslag met een respons-percentage van 16-25% niet al te veel. Zitten daar niet juist de fanatiekelingen tussen? Niemand kan het weten.

Bovendien is de vraagstelling niet helder. Het coalitieakkoord heeft het over ‘de uitslag’ die bindend is voor de coalitiepartijen, maar als je drie vragen stelt, krijg je drie uitslagen. De eerste vraag gaat over het idee Huis van Eemnes. Als daar een duidelijke meerderheid voor is, kan de raad beslissen voor de nieuwbouw. Want er is geen andere optie dan deze locatie; de Hilt en de Bibliotheek voelen er niets voor weer helemaal opnieuw te beginnen met nadenken over nieuwe huisvesting. Maar vraag twee gaat over de locatie: bent u ‘tegen’ of ‘voor’ de locatie Noordersingel (de ongebruikelijke volgorde is een andere doorzichtige poging meer tegenstemmers te scoren). Dat kan een tegengesteld resultaat opleveren met vraag 1. En wat moet een raadslid dan stemmen?

Om het nog ingewikkelder te maken, is er nog een derde vraag. Afblazen levert een schadeclaim op van ‘2,5 miljoen’. Bent u dan tegen of voor doorgaan met de bouw? Het CDA heeft zelf becijferd dat het wel eens 4 tot 5 miljoen aan claims kan kosten om te stoppen, dus is ook deze vraag omstreden.

Het compromis van Dorpsbelang en PvdA roept meer vragen op dan er beantwoord worden. Met mogelijk drie verschillende uitslagen op verschillende vragen, vraagtekens bij de betrouwbaarheid vanwege de hoge non-respons en het onhandig opereren van de coalitie in het eerlijk omgaan met de raad, kon het wel eens een verhitte discussie worden. Een radicaal deel van de achterban van Dorpsbelang heeft de partij gegijzeld; dus veel bewegingsruimte heeft de fractie niet. Maar ook de PvdA kan niet straffeloos draaien; de partij heeft altijd voor nieuwbouw van het Huis van Eemnes gestemd.

Als een meerderheid van de mensen voor het idee van het huis van Eemnes stemt, ook voor de locatie en voor het doorgaan, ontstaan er geen grote politieke problemen en kan de bouw over anderhalve maand starten. Maar bij een onduidelijk beeld wordt het erg interessant om te zien wie er als eerste met de ogen knippert.

Grote getallen en de moeder van Jan Rotmans

Het was een warme nazomerdag op 21 september 2017, de start van de herfst; en inderdaad kleurden er al blaadjes aan de bomen langs de Piet Heinkade in Amsterdam. In Pakhuis de Zwijger hadden bijna honderd voorlopers in de energietransitie zich verzameld om te brainstormen over de vraag hoe we Nederland van het gas af krijgen. Professor en activist Jan Rotmans had slides bij zich en mocht aftrappen. Het verhaal ging over zijn moeder. Ze hoorde bij de 85% van de Nederlanders die niet weten dat we voor een een hele grote verandering staan. De grootste verandering in 150 jaar, zei Rotmans. Niet de technologie is het probleem, die krijgen we er wel bij de komende tijd; niet het geld, want er is geld genoeg in Nederland; maar de bereidheid van de moeder van Rotmans, samen met al die andere moeders, vaders, broers, zussen om mee te doen.

Daarna mocht ik op een kruk plaatsnemen, naast Leonie van der Steen van Squarewise en Robin Berg van WeDriveSolar. In de zaal ontdekte ik zo een stuk of tien bekenden die veel meer licht konden werpen op de uitdagingen in de energietransitie dan ik, maar ik was op dat moment wethouder en had in de regionale pers gezegd dat we vanaf 2019 de helft van Eemnes van het gas af gingen halen. Je kan maar duidelijk zijn. Dat mijn partij de verkiezingen een half jaar later zou verliezen had ik op dat moment misschien al moeten vrezen. Maar het was lekker weer, binnen zat een inspirerend gezelschap en ik was absoluut niet bezig met de gedachte wat ik zou gaan doen als we twee zetels in zouden moeten leveren. Van de drie.

Die mensen om hun medewerking vragen kan alleen deur voor deur, straatje voor straatje, wijk voor wijk, betoogde ik. Als gemeente moet je regelen dat mensen die enthousiast zijn zich kunnen organiseren, ambassadeur worden; zodat er een gevoel van collectiviteit komt. Dan kun je best wat bereiken. Leonie van der Steen kreeg het woord (een ander ding wat ik toen nog niet kon weten: dat ik in mei 2018 bij Squarewise zou gaan werken, waar zij directeur is). Zij zei: in Woerden kregen we de mensen wat makkelijker mee omdat zij naast een plek woonden waar geboord zou gaan worden naar schaliegas. Elk argument wat de doorslag geeft, moet je met beide handen aangrijpen.

In de maanden erna heb ik ervaren dat als je verhaal in orde is, mensen best tegen wat verandering kunnen. Iedereen begrijpt nu wel dat we moeten stoppen met Gronings gas oppompen en dat we dan ook maar beter meteen kunnen doorpakken. Mensen willen niet meer betalen dan wat ze nu aan energie kwijt zijn en ze willen geen nieuwe schulden maken; maar als je de aflossing aan het adres koppelt in plaats van aan de persoon, en de woonlasten stijgen niet, dan doen ze mee.

Eén probleem noemde Rotmans niet en ik had het op dat moment ook nog niet tot mij door laten dringen. En dat is de omvang van het werk. Als je over dertig jaar van het gas af wil zijn, moet je elk jaar 250.000 woningen aanpakken (wat we nu doen druk je uit in honderdtallen). Zeker het deel daarvan van de huizen in wijken waar de aardgasleidingen aan vervanging toe zijn, houdt zo weinig warmte binnen dat je die ingrijpend moet renoveren. Dat betekent een jaarlijkse economische activiteit die zo’n zeven tot negen miljard waard is. En dan reken ik met de helft van de prijs van nu, hopend op schaalvergroting. Dat betekent dertig jaar werk voor 45.000 extra werknemers. Waar vinden we die? De bouw- en installatiebranche heeft nu al grote moeite mensen te rekruteren. Daar komt een woningbouwopgave van 60.000 woningen per jaar bij, nodig om de huishouden-verdunning op te vangen. En daar bovenop moeten we dan nog de mensen vinden die de renovaties van de woningvoorraad gaan uitvoeren.

Als we niet gaan nadenken over dit arbeidsmarktvraagstuk moet je nog vrezen dat Jan Rotmans de komende tijd wordt gebeld door een wanhopig uitzendbureau. Of het niet tijd wordt voor een overstap. Of dat hij wellicht iemand weet, u heeft het wel eens over uw moeder, kan die niet helpen?